30

Door: ‘p’

“Xxxx 30 km” Het richtingsbord sprak boekdelen. Handig stuurde hij het busje een beschutte parkeerplaats op en iets van de rest van de dagjesmensen vandaan vond hij een plekje om in alle rust… Tja, wat Eigenlijk? Ze zat naast hem op de bijrijderplaats en keek hem aan, blij glimlachend, maar toch ook met een ietwat bezorgde blik in haar ogen. Ze sprak geen woord, daarmee aangevend dat het zijn ‘call’ zijn keuze diende te zijn. Aarzeling voelde hij wel in zichzelf maar geen angst, integendeel. “Ja nu” waren de enige woorden die hij sprak en, naar alle waarschijnlijkheid, ook de laatste die hij voorlopig zou spreken. Vanaf nu, zaterdag in de loop van de morgen met al bijna 200 km ‘achter de kiezen’ tot en met morgen, zondag, op ongeveer de zelfde plaats maar dan met de voorwielen de andere kant op gericht, zou hij…….., neen, zouden zij…….

Om de laadvloer van de bus te bereiken moesten ze buitenom, geen probleem natuurlijk. Ze hadden ook over de leuning van de voorbank kunnen klimmen maar dat was allerminst stijlvol, dat was eerder een optie die ze hadden kunnen gebruiken als het op dit moment pijpenstelen had geregend maar nu was het gewoon simpeler om even uit te stappen en via de zijdeur de laadruimte te betreden.

Nog even dacht hij haar uit te moeten leggen hoe de laatste 30 km te rijden maar bedacht zich nog net dat zij de hele weg al had kaartgelezen en dat het haar ongetwijfeld die laatste 30 km ook wel zou lukken. Vreemd hoe een brein zich op zulke momenten toch kan bezighouden met dingen die helemaal niet ter zake doen.

Eenmaal in de laadruimte ontdeed hij zich snel van zijn kleding. Niet dat hij daarna naakt was, integendeel. Onder zijn kleding kwam een glanzend stalen kuisheidsgordel tevoorschijn, een ‘martelwerktuig’ dat daar al bijna twee weken onwrikbaar op zijn plaats gehouden werd door een aantal solide uitziende sloten. Geroutineerd hielp ze hem het strakke riemenharnas, dat op meerdere plaatsen met de kuisheidsgordel verbonden kon worden, om zijn bovenlijf te draperen. Nog één laatste diepe blik in zijn ogen vertelde haar dat het allemaal ‘klopte’.

Vergiste hij zich nu of was ze deze keer wel erg enthousiast in het aantrekken van de riemen? Het kon natuurlijk ook zijn innerlijke spanning zijn. Het riemenstelsel oom zijn hoofd, onverbrekelijk verbonden met de bijbehorende brede halsband, volgde en ook daarvan trok ze de sluitingen stevig aan. Hij zuchtte, maar zei geen woord. In zijn ogen zag ze de schittering omdat nu eindelijk zou gaan gebeuren waar ze samen al zo lang naar verland hadden en ook in zichzelf voelde ze haar bloed sneller blij stromen.

Gezeten op de wielkast trok hij de laarzen aan, hooggehakte laarzen zou je ze kunnen noemen, met dat ‘probleem’ dat er geen hoge hak (zelfs helemaal geen hak) aan zat en dat de neus van de laarzen uitliep in een conisch, bijna lomp uitziend zwart gedeelte en op de hiel een rits zwarte haren het geheel een bijna levend uiterlijk gaf. Terwijl zij de lange veters van de laarzen strak aantrok, noodzakelijk om zo zonder hak te kunnen lopen, deed hij de bijpassende ‘handschoenen’ aan, voor zover dat lukte tenminste, want in plaats van vijf keurige vingers eindigden ook die in een uiterlijk gelijksoortige stijl als de laarzen. Natuurlijk moest zij de veters van de tot ruim op de bovenarmen eindigende handschoenen aantrekken want dat was uiteraard onmogelijk voor hem zelf.

Op handen en voeten gezeten draaide hij haar zijn zitvlak toe. Puur om praktische redenen uiteraard. Vlot monteerde ze, tussen de kettingen van de kuisheidsgordel die over zijn billen liepen, een extra attachement maar voor ze die definitief vast klikte kwam er een forse anusplug tevoorschijn met daaraan vast een keurig gekamde en gewassen volle, dikke paardenstaart van bijna 85 cm lengte. Twee kreunen (bij het inbrengen) en twee klikken (van het attachement) later zat die onwrikbaar op zijn plaats. Hij wist dat de enige reden dat die plug (tijdelijk) zou verdwijnen het verrichten van de noodzakelijke lichaamsfuncties zou zijn.

Dat het inbrengen van de plug ook zijn effecten had op een lichaamsdeel daar vlak in de buurt had geen ‘belang’. Trouwens die afmetingen konden toch niet uit de verf komen gezien de stalen, onwrikbare omsluiting daarvan. Hij voelde zich langzaam wegglijden in een hogere wereld terwijl een deel van zijn ‘gewone’ geest de wacht betrok bij de grens van zijn bewustzijn om alarm te kunnen slaan als er iets wezenlijks verkeerd zou gaan ‘daar binnen in zijn hoofd’. De oogkleppen, naar binnen gevouwen waardoor ze een effectieve blinddoek vormden, werden aan zijn hoofdstel bevestigd en verder moest hij zijn wereld maar proberen waar te nemen middels zijn oren. Hij hoorde haar rammelen in de koffer met meegebrachte materialen en een moment later voelde hij gerommel aan zijn hoofdstel.

“Open.” Haar stem was liefdevol, zacht maar dwingend en willig opende hij zijn mond. Verdorie, het ‘lepelbit’. Hij had gehoopt op het ‘gewone’ rubber bit en niet op dit stalen ‘kreng’ dat zijn tong tegen zijn onderkaak drukte waardoor zelfs het laatste spoor van ‘gewone woorden’ niet meer mogelijk was. Tegelijk wist hij dat het ‘goed’ was dat ze hem in deze fase het veel ‘zwaardere’ lepelbit te dragen gaf omdat hij daardoor veel sneller in die ‘andere wereld’ kon verzinken.

Wegglijdend in zijn ‘andere ik’, bijna letterlijk de ‘wachter’ op de grens van zijn ‘gewone bewustzijn’ in het voorbijgaan groetend, voelde hij nog net hoe zij een dikke kus op zijn wang drukte en een moment later met de rug van haar hand zijn wang en voorhoofd streelde. Die zelfde twee handelingen voelde hij ook al met zijn ‘andere ik’ en een diep gevoel van dankbaarheid en vertrouwen in zijn trainer doorstroomde zijn hart. Teder vlijde ze hem neer op de hoop dekens in de hoek van de laadruimte en vergewiste zich er van dat hij goed lag. Ook in haar ‘ikkie’ veranderde iets en ze zag niet meer haar partner en geliefde, maar daar dwars doorheen ook haar heerlijke pony, een beeld dat de komende 36 tot 40 uur een steeds vaster plaats op haar netvlies zou veroveren.

Aan de subtiele bewegingen in zijn ‘handschoenen’ was te zien dat zijn handen en vingers een plekje zochten waar ze de komende tijd, nutteloos als ze nu waren geworden, konden verblijven. Zij was intussen weer uitgestapt en had de bestuurdersplaats ingenomen. Nog een laatste blik op de kaart die open, naast haar op de bijrijderplaats lag om de komende kilometers in haar geheugen te prenten en grommend zette de zware diesel zich weer in beweging voor de laatste loodjes.

Ze reed met beleid, maar al te goed bewust zijnde dat haar pony achterin geen mogelijkheid had om zich schrap te zetten en, mede gezien zijn tijdelijke ‘blindheid’ ook geen idee had wanneer hij zich schrap zou moeten zetten. Deze laatste kilometers waren gelukkig voornamelijk binnenwegen waardoor de snelheid ook niet direct aanleiding zou geven tot halsbrekende toeren. Nog afgezien van het feit dat het in deze contreien vele malen rustiger op de weg was als in het overvolle westen en de randstad.

De rit verliep zo rustig dat hij achterin, nadat hij eindelijk kans had gezien dat ‘vervloekte’ lepelbit een comfortabel plekje in zijn mond te geven, warempel in een soort slaap gevallen was. Slapen met het lepelbit, een moeilijke zaak die ze in de afgelopen periode meerdere malen thuis hadden ‘geoefend’. Hoewel in dit geval zeker het feit dat hij al een fors aantal kilometers had gereden daar natuurlijk wel aan bijdroeg. Als ze hem had kunnen zien, had ze kunnen waarnemen dat er zelfs een soort glimlach om zijn lippen lag. Waar zou hij van dromen? Tochtige merrie’s? Grazige weiden? Want ja, de pony had hem intussen volledig in zijn greep.

Rustig reed ze de beschutte oprijlaan op van hun bestemming. Op de parkeerplaats aangekomen besloot ze zich allereerst te gaan melden bij de gastheer, een joviale kerel die haar uitgebreid begroette en haar de voor haar gereserveerde caravan wees. De bus kon beter op de parkeerplaats blijven staan vertelde hij. Het grasveld was dan wel helemaal in orde maar zo’n zware diesel, daar konden ze beter geen risico mee nemen.

Vervolgens besloot ze zich eerst ook maar eens om te kleden. Tenslotte was haar pony al in vol ornaat en ze vond dat ze haar eigen uiterlijk daar maar eens mee in overeenstemming moest brengen. In de beschutting van de laadruimte van de bus ontdeed ze zich vlot van haar broek en blouse en hulde zichzelf in een prachtig roodlederen riemenharnas, een (zeer) korte rok die alleen uit een losse voor en achterkant bestond, en dijhoge rode laklaarzen met een wel zeer bescheiden hakje. Onder de riemen van haar bodyharnas drapeerde ze een strook van de zelfde witte stof als haar rokje dat haar stevige borsten bedekte zodat niemand zou kunnen zeggen dat ze onbetamelijk gekleed was, al had dat laatste hier op het terrein geen enkele betekenis.

Voordat ze de pony naar buiten leidde pakte ze eerst de deels gedemonteerde sulky. Het monteren van de wielen en de disselbomen was een fluitje van een cent. Vervolgens haalde ze pony ‘p’ uit de wagen en koppelde de daarvoor aangebrachte ringen aan zijn harnas met de disselbomen en vervolgens deed ze hetzelfde met de ringen die uit zijn ‘handschoenen’ staken. Ze kon het niet laten en deed een paar stappen terug met de camera in haar hand. Wat was hij mooi. Wankelend, nog onwennig stond hij op zijn ‘achterhoeven’ als in een hooggehakte laars waardoor zijn gespierde kuiten trillend schuin stonden en de spieren in zijn bovenbenen schokkend een oplossing zochten voor deze nog onwennige positie.

De koffer op de sulky laden was natuurlijk een fluitje van een cent en met een klap liet ze de schuifdeur van de auto dichtvallen. Zou ze…..? Neen, er was geen enkele reden dat hij nu al zou moeten kijken. Naast de sulky lopend, met de lange leidsels aan zijn bit in haar ene hand en de venijnige lange rijzweep in de andere spoorde ze hem aan hun koffer met uitrusting naar de gereedstaande caravan te trekken. Daar aangekomen spande ze de pony uit en zette die met het leidsel vast aan de naast de ingang van de caravan staande boom. Vervolgens droeg ze de koffer naar binnen en besloot het zich eerst maar eens aangenaam te gaan maken met een kopje thee. Intussen hield ze natuurlijk wel, door de open deur, haar ‘blind’ voor zich uit starende pony goed in de gaten. De schokken die ze, bijna onmerkbaar’ door zijn onderlijf zag gaan vertelden haar dat die het blijkbaar uitstekend naar zijn zin had.

Rustig in het zonnetje op een comfortabele tuinstoel gezeten, met in de ene hand een geurig kopje thee en met de andere hand de schoften van haar pony strelend terwijl ze uit een ooghoek de ingang van het beschut gelegen terrein in de gaten hield voor de ‘rest van de kudde’ Bedacht ze wat ze dit weekend allemaal wel niet met haar lievelingshuisdier zou gaan doen.

Natuurlijk op de sulky rondrijden en hem, voor de rest van de kudde, zijn paradepasjes laten demonstreren, maar ook genieten van datgene wat de anderen zouden laten zien, jawel, zijn blinddoek zou op korte termijn heus nog wel in de ‘gewone’ oogkleppen veranderen zodat ook hij zich kon verheugen in al het moois dat er te zien zou zijn. Ze keek op haar horloge, hm, twee uur had hij het lepelbit nu al in. Buiten slaapperiodes bijna een record. Zou ze al…..?

Neen, hij liet nog niet blijken dat het ‘niet meer ging’. O jawel, in de loop van de dag zou het heus nog wel verwisseld worden voor het gewone bit zonder de tongdwingende lepel er aan. Voor nu besloot ze dit exemplaar te laten zitten tot hij duidelijk zou aangeven dat het niet meer lukte.

Beweging bij de entree van het terrein vertelde haar dat er een volgende gast was gearriveerd. Op deze afstand kon ze nog niet onderscheiden wie maar dat gaf niet. Haar hart veerde op, de ‘anderen’ begonnen binnen te druppelen. Met haar nog altijd ‘blinde’ pony aan de leidsel wandelde ze naar het parkeerterrein om de nieuw aangekomen gasten te begroeten. Het weekend kon beginnen.